Legvoorschriften 2022 (concept-versie)

(deze versie toont de tussentijdse bevindingen van de deskundigencommissie)

4.7.   Inspectie en instructie in verband met vloerverwarming en verwarmingsleidingen

  – 8040 TECHNIEK (2012)

Ga zo goed mogelijk na of er leidingen van vloerverwarming en andere warmwaterleidingen (zoals CV of stadsverwarming) in de werkvloer zijn gelegd en, zo ja, waar.

  –   8041   COMMUNICATIE (2012)

Laat de klant altijd weten dat de aanwezigheid van concentraties van aanvoerleidingen van warm water (vloerverwarming, CV, stadsverwarming en dergelijke) in de werkvloer problemen kan geven met het gedrag van de afwerkvloer en de eventueel te leggen tussenvloer. Vermeld deze risico’s in de leveringsvoorwaarden en laat de klant weten dat de parketteur daarvoor niet garant staat.

  –   8042   TECHNIEK (2012)

Bij vele, vooral oudere, vloerverwarmingssystemen zijn de aanvoerleidingen van kunststof doorgaans zonder ommanteling ingestort in de dekvloer. Pas daarom bij aanwezigheid van deze vloerverwarming altijd een niet watergedragen vochtscherm op de dekvloer toe.

Toelichting: Aangezien oude kunststofleidingen in de regel niet diffusiedicht zijn, staan ze vocht af.

  –   8043   TECHNIEK (2021)

Indien een vloerverwarmingssysteem tevens is voorzien van een koelinstallatie dan – als de installatie geen condensbeveiliging heeft – altijd een vochtscherm aanbrengen.

  –   8044    ORGANISATIE (2012)

Temper vóór het leggen van een tussenvloer en afwerkvloer de vloerverwarming volgens het stookprotocol van de installateur. Daarna ten minste 48 uur vóór aanvang van de werkzaamheden de temperatuur terugbrengen naar 15 tot 18 graden Celsius.

Gedurende het leggen wordt deze instelling niet gewijzigd.

Na het leggen wordt de installatie opgestart volgens het stookprotocol van de installateur, onder inachtneming van 8042/8043.

  –   8045   COMMUNICATIE (2012)

Laat de klant weten dat, als er vloerverwarming en/of vloerkoeling is, de omstandigheden blijvend aan de volgende eisen moet voldoen:

  • maximum watertemperatuur volgens thermostaatinstelling: 40-45 graden Celsius;
  • minimum watertemperatuur volgens thermostaatinstelling: 19 graden Celsius;
  • instelling van de installatie moet zodanig zijn dat de watertemperatuur in het systeem nooit meer dan 4 graden onder de ruimtetemperatuur kan komen;
  • instelling van de installatie zodanig dat de oppervlaktetemperatuur van de afgewerkte vloer nooit boven 27 graden Celsius stijgt;
  • stookregime zodanig dat de installatie ’s nachts niet wordt uitgezet;
  • opstarten na het warme seizoen volgens stookprotocol van de leverancier. Uitzetten eveneens volgens stookprotocol van de leverancier (dit houdt in dat de watertemperatuur maar met 5 graden per dag vermeerderd of verminderd mag worden).

Toelichting: De parketteur kan het gedrag van de klant van bijvoorbeeld het stookregime niet controleren. Adviezen dienen dus vrijblijvend te zijn en de leveringsvoorwaarden dienen elk risico voor de parketteur uit de sluiten (zie 8041).

  –   8046   COMMUNICATIE (2012)

Adviseer de klant, ingeval er warmwateraanvoerleidingen van CV in de werkvloer liggen, de ketelthermostaat niet hoger in te stellen dan 65 à 70 graden Celsius.

  –   8047   COMMUNICATIE (2012)

Adviseer de klant, indien de watertemperatuur van de aanvoerleidingen in de werkvloer (zoals bij stadsverwarming) regelmatig boven de 70 graden Celsius stijgt, akkoord te gaan met een zo dik mogelijke tussenvloer in combinatie met een los (zwevend) te leggen afwerkvloer, of wijs hem op de mogelijk te verwachten negatieve invloed van deze leidingen.